Schaakstudiespinsels 2

Miniaturen

— 156 —

EG, 1969

+ 0310.21 h7g4

A

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
3.Lh1? 2.Td3 Lc6+ 3.Kb4 g2 4.Tg3+ Kf6 5.Kc5 Lb7 6.Kd4 h5 7.Ke3 h4 8.Kf2.hxg3 9.Kg1 Niet goed is de zet 3.Lh1? we-gens 3...Tb1 (met de dreiging 4...Txh1+ en 5...Tb1) 4.Ld5 (dreigt nu op zijn beurt 5.Lb3) En nu 4…Tb4!, de énige correcte remi-sezet, (want na 4…Tb5 of 4…Tb6 verliest wit een tempozet, opgejaagd door de a-pion, wat niet het geval is na 4…Tb4, want hier na 5.a3, in plaats van 5.a4, verliest zwart zèlf een tempo.) Dus nu na 4…Tb4? is het remise door 5.a4! Ke5 6.Lf3 Kd6 7.a5 Kc7 8.a6 Ta4, en het is zover. 3…Kg3? 4.Ld5 is tijdverlies voor zwart. Na 5...Tb2 loopt de a-pion door. De zwarte pointe, hij hoopt op pat. Maar de witte koning slaat of blok- keert de pion niet en speelt: Zwart kan de pion slaan, maar na wint wit zonder moeite. In 1967 wonnen G.V. Afanasief en E.I. Dvizov de 2de prijs in het 900th Anniversary of Minsk tornooi met deze studie: Kh7 Lg2 a2 b6 / Ke5 Ta6 g7 + De oplossing luidde: 1.b7 1…Tb6 2.a4 Kd6 3.a5 Kc7 4.axb6+ Kb8 5.Kg8 g5 6.Kf7 g4 7.Ke6 g3 8.Kd5 Kxb7 9.Kc5+ met winst. De heer Shmulenson poneerde toen: “This miniature is technically irreprochable.” Maar ik vond de weerlegging. Na 1.f7 gaf ik schaak met 1…Th6+ en het werd remise: 2.Kg8 Tb6 3.a4 Kd6 4.a5 Tb2 5.a6 Kc7 6.a7 Txb7 7.a8D Tb8+ 8.Dxb8+ Kxb8. Dus fout. Ook na 2.Kxg7 Tb6 3.a4 Kd6 4.a5 Kc7 5.axb6+ Kb8, en zwart staat pat. Toen de beide auteurs achteraf een verkorte versie publiceerden in EG nr 17: Kh7 Lh3 a2 b7 / Kf4 Tb6 g7 + met: 1.Lg2 Ke5 2.a4, enzovoort, verlengde ik in EG nr 18 het ge- heel met twee zetten, als boven. Maar helaas! Harold van der Heij- den vond nu in zijn database een gelijkaardige voorganger, name- lijk een derde prijs van Frantichek Richter in L’Iitalia Scacchistica (1954): Ka7 Lb6 g6 h3 / Kb4 Td6 b7 + De studie en de oplossing zijn gespiegeld: 1.g7 Tg6 2.Ld4 Kc4 3.Lb2 Kd5 4.h4 Ke6 5.h5 Kf7 6.hxg6 Kg8 7.Kb8, enzovoort. Er is dus geen plagiaat gepleegd. Maar het is zuiver toeval. De reden waarom ik dit minia- tuurtje toch publiceer is dat er in het oplossingsverloop nog een precieze zet dient gespeeld, na- melijk: 3.Lg2, en niet de foute zet Ik ontdekkte veel later dat Richter waarschijnlijk geinspireerd is ge- weest door een vroeger werkje van W. Korteling (1942): Ka4 Td4 / Kh8 Lg2 g3 h7 = met deze oplossing: 1.Td8+ Kg7 Een knappe vondst, dat laatste.