Schaakstudiespinsels 2

Miniaturen

— 184 —

Jan Timman- 50 JT, 2002

= 0311.02 f3d8

Er dreigt een zwarte damepromo- tie met schaak. 1.Ke2? faalt op 1..Txd4 2.Kd1 a5 en deze pion loopt door, bijvoor- beeld: 3.La7 Td5 4.Lb6+ Kd7 5.Le3 a4 6.Lxd2 a3 7.Kc2 Txd2 8.Kxd2 a2 met winst. Daarom eerst:

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.

Varianten

1...Kc8? 2.Ke2 Tg2+ 3.Kd1 Kb7 4.Lxa7 Kxc6 5.Le3 en 6.Lxd2. Of hier 3...a5 4.Pxa5 Kxb8 5.Pc4 en 6.Pxd2. Maar niet: 2.Pe5+? Kc8 3.Ke2 Tg2+ 4.Kd1 Kxb8 5.Pc4, maar zwart wint met een pion extra. De zwarte koning dreigt hulp te gaan bieden en de énige goede zet luidt nu: Niet goed is bijvoorbeeld:

a)
5.
6.

d1D+ Kxd1 Kd3 en zwart wint. Of:

b)
5.
6.

6.Kc2 d1D 7.Kxd1 Kd3. Of nog:

c)
5.
6.
met winst voor zwart. De witte loper wacht geduldig af, want andere loperzetten, zoals bij- voorbeeld 6.Le3? d1D+ 7.Kxd1 Kd3 enzovoort, falen; Ook hier falen andere loperzetten: 7.La7?, 7.Lc7?, 7.Ld8? of 7.Lg1?, d1D+ 8.Kxd1 Kd3, enzovoort. 9...Tc2+ 10.Kb1, remise. Weerom de énige goede loperzet. En zwart komt niet verder. Een welverdiend gelijkspel.