Schaakstudiespinsels 2

Miniaturen

— 191 —

Origineel, 2008

+ 0001.13 h1d6

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.

Varianten

Zwart moet zijn pion offeren:

a)
1…
2.
3.

Ke5 4.Pf7+ Kd4 5.Pd6 Ke5 6.Pc8 en 7.Pb6. Ook na:

b)
1…
2.
3.

Ke5 4.Pc8 4.Kd4 5.Pb6 met winst. (Zie zet 11.)

a2)
3.
4.
5.

Kd3 6.Pe5 Kd4, valt de pion of is het remise.

b2)
3.
4.
5.
Kd3 6.Kxc4. Of hier 4.Pd3+ Kd4 5.Pb2 Kc3. Ook remise. Dus niet 6.Pf3?+ Ke4 enzovoort. En niet 8.Pxc6+? Ke4 9.Kg2 Kd3 Kxa5 13.Ke5 Kb6, remise. Een fijne sprong, want 9.Pa5? Kc3 10.Kg2 Kb4, enzovoort. Eindelijk. De witte koning komt nu, na een verplichte wandeling, rus- tig naderbij. En wit wint. Bijvoorbeeld: 17.Pa4 Ke5 18.Kf7 Kd4 19.Pb6 Ke5 20.Ke7 enzovoort, daar de twee zwarte pionnen worden opgepeu- zeld en de witte promoveert. De schimmel weet te ontsnappen aan de koning door achtereenvol- gens op tien (10!) verschillende velden te springen. Vandiest vond het “Zeer geestig.”