Schaakstudiespinsels 2

Studies

— 276 —

64 studies op 64 velden, 1994

= 0041.23 f2f4

Zwart dreigt met promotie op b1, maar wit verhindert dit voorlopig met:

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.

Varianten

a)
3.
4.

Ke3, 5.Pxd4 Kxd4, evenals:

b)
3.
4.
Dreigt 5.Lg6+. Wit kiest het juiste veld, waar zijn koning later geen schaak kan krijgen, want na 5.Ke2? of 5.Kg2?, Kf5 6.Pe3+ Kf6 7.Pd5+ Kg7 is 8.Pc3 nu niet mogelijk, en zwart wint. Want na 6...b1D? 7.Lc2+ Dxc2 8.Pe3+ en 9.Pxc2 is het remise. Zijne Koninklijke Hoogheid trekt zich bescheiden terug in het hoek- je. En eindelijk: En nu komt het hoogtepunt: Of zwart deze pion nu slaat of niet, wit staat pat! Een rein pat nog wel. Schaakredacteur Cor de Feijter schreef indertijd: “Correctie van een bewerking van een Kubbelj”. De waarheid echter is dat ik, in de beginperiode toen ik met compo- neren begon, deze studie niet eens kende. L. Kubbelj in Shakhmaty (1922): Kh2 Le2 Pf1 g4 / Ke4 Lh6 b2 = 1.g5 Lxg5 2.Lh5 Lf4+ 3.Kh1 Kf5 4.Ld1 b1D 5.Lc2+ Dxc2 6.Pe3+ Lxe3 pat. Achteraf blijkt nu dat de studie van Kubbelj ook geanticipeerd is door de gebroeders Platov in de Deut- sche Schachzeitung (1905): Ke8 Lg4 Pf5 c5 / Ke4 Lf2 d7 h2 = 1.Ph4 Lxh4 2.Lxd7 Kd5 3.Lc8 Kc6 4.Lg4 h1D 5.Lf3+ Dxf3 pat. Ook een voorloper is Graafland (1916): Kd8 Le3 Pa3 / Ke5 Ld3 a2 = 1.Pb5 Lxb5 2.Lh6 Kf6 3.Ld2 a1D 4.Lc3+ Dxc3 pat. Tenslotte nog een studie van Eysinga (1969): Kh3 Le2 Pf3 / Ke4 Lc3 b2 = 1.Pe1 Lxe1 2.Lh5 Kf5 3.Ld1 b1D 4.Lc2+ Dxc2 pat. In EBUR vond Harm Benak mijn versie “veruit de mooiste”.