Schaakstudiespinsels 2

Manke Maljutka's

— 15 —

EBUR, 2003

+ 0003.10 b8e2

Zetten

1.
2.
3.
4.
2.Kb7 (Ook 2.Kc8 is goed) Blokkeert nog steeds de opmars van de pion. 2.Kc8? Kc4 3.Kd7 (Het beste) 3…Pf6+ 4.Kc6 Pd5 5.b7 Pb4+ 6.Kb6 Pd5+ 7.Ka5 Pb4 8.b8D Pc6+ en 9.Pxb8. Maar niet 3.Kc6? Pc4 4.b7 Pa5+ en 6.Pxb7. En niet 4.b7? Pc5 5.b8D Pa6+ en En wint. Klein, fijn en rein. Harrie Grondijs pibliceerde in Springerzauber (1998), met vier stukjes op het bord, dit supermi- niatuurtje: Kb8 b5 / Kg1 Pe8 + Hij gaf als oplossing: 1.b6 Kf2 2…Pd6+ 3.Kc7 Pb5+ 4.Kd7 (En ook 4.Kc6, 4.Kc8, 4.Kd8, 4.Kb7 en 4.Kb8 zijn allen correct.) En dus nevenoplosbaar. “Grondijs geeft de stelling als de énige uitzondering op de door H.Rey gedefinieerde, en dus fou- tieve regel dat als de witte pion en de koning op dezelfde lijn staan, de pion minimaal op de 6derij moet staan wil wit kunnen winnen. Daarbij moet de zwarte koning ver weg staan.” Aldus Harold van der Heijden. En hij concludeerde met: “Het is dus niet zozeer als studie be- doeld, maar wordt dat wel door Vandecasteele’s verbetering.”