Schaakstudiespinsels 2

Manke Maljutka's

— 16 —

EBUR, 2003

+ 0014.00 e3a2

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.

Varianten

Met de dreiging 2.Kd5. Met dezelfde dreiging.

a)
3.
4.
5.

(Zie zet 3.)

b)
3.
4.
5.
1.Kb3 Lc6 2.Pd8 Ld5 3.Kb4 Pd6 4.Ka5 Kc5 5.Ka6 en 5…Pc8 6.Pb7+ Kb4 7.Pd8 Ka4 8.Pc6 Lxc6 5…Lc4+ 6.Ka5 Lb3 7.Ka6 Ld5 8.Ka5 Lc4 9.Ka4 Kb6 10.Kb4 Lg8 11.Ka4 Kc7 12.Kb4 Kxd8, en het 3.Pc4, er bijna dezelfde dia- (Zie zet 3.) Het zwarte paard zit nu klem. En niet 8.Pc8? Pb7 9.Kc6 Pa5+, met remise. Een onnodige omweg is 9.Ld5? Ka6 10.Lc4+ Ka7 11.Kb5 (Zie zet En de koppige Fries word gevan- gen op de volgende zet. De 2de en 3de aanbeveling in het Rudenko JT in Sportiva Gazeta (1988) van A. Krochek luidde: Ka2 Pb7 / Kd4 Ld7 Pc4 = pat. Maar na 5.Ka6? verliest wit door paard wordt veroverd. Het leuke is dat in mijn correctie na gramstand ontstaat als bij Kro- check, maar dan in spiegelbeeld en met verwisselde kleuren.