Schaakstudiespinsels 2

Miniaturen

— 176 —

EBUR, 1999

+ 0041.11 g2g6

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.

Varianten

Sterker dan:

a)
1…
2.
3.

(3.Kh3? Lf2 4.Pe1 Lxh4, remise.) 3…Lc5 en bijvoor- beeld 4.Ld2 (4.Ook 4.Le1 of 4.Pg5 zijn winnend.) 7…Le7 5.Pg5 Lf6 6.Kh3 Le7, enzo- voort, zie de hoofdvariant.

b)
1…
2.
3.

Le7 4.Kh3 Lxh4 5.Pf4+ Kg5 6.Lc1 Le1 7.Pd3+ en 8.Pxe1 Fout is 3.Kg3? Ld8 4.Pg5 (4.Ld2 Lxh4+ 5.Pxh4 en pat.) 4…La5 5.Pe4 Le1+ 6.Kh3 Lxh4, remise. En ook hier faalt 4…La5? 5.Pe4 Le1 6.Pg3+ Lxg3 7.Kxg3 d2 8.Lxd2 en wit wint. En nu opgelet! De énig winnende zet.

a2)
5.
6.

pat. Of hier 7.Pxd3+ Kh5 remise. En:

b2)
5.
Remise, daar wit een stuk moet afgeven. Indien wit deze pion niet slaat en 8.Lc1? speelt, volgt 8…d2 9.Lxd2 Le1, met remise. Eveneens met winst. De toenmalige eindspelredacteur Freek Spinhoven gaf aan de stel- ling met de witte loper op b6, de Eerste Prijs in Schakend Neder- land (1966), voorzien van dit com- mentaar: “Een leerzame studie. Een klassiek voorbeeld van domi- nantie, zowel in de hoofdvariant als in de bijvarianten. Met een mini-- mum aan materiaal wordt dit the- ma tot uiting gebracht.” Ik kreeg dan ook een onverwacht groot diploma toegezonden met het gewonnen diagram en de tekst: Speciale Vermelding Stu- die toernooi ‘Schakend Nederland’ 1966: I. Vandecasteele. Enkele maanden later schreef Freek “Na de bezwaren beoor- deeld te hebben die tegen de studie zijn geuit heeft de jury de definitieve uitslag als volgt vast- gesteld: Eerste Eervolle Vermel- ding: I.Vandecasteele.” Welke bezwaren werden me niet medegedeeld. Jaren later twijfelde Jarl Ulrichsen aan de correctheid van het minia- t tuurtje wegens een mogelijke ne- venoplossing bij de eerste zet: 1.Pe4?. Om elke twijfel weg te nemen verplaatste ik dan de witte loper van b6 naar b2. Ik heb het geheel dan ook opge- dragen aan de opmerkzama Noor.