Schaakstudiespinsels 2

Miniaturen

— 200 —

Origineel, 2002

+ 0140.11 a8h7

De toren dekt de loper, zodat de koning dit stuk niet kan slaan.

Zetten

1.
2.
3.
4.
5.

Varianten

Maar dan doet de loper het: En nu nog de witte pion dekken, denkt wit, maar:

a)
3.
4.
5.

Lc3 6.Kc6 Le1, noch

b)
3.
Lg3 6.Tg5 Lf2 blijken niet te voldoen.. Daarom een eerste stap van de witte koning naar de pion. 4.Te4? Lg7 5.Tf4 Lc3 en de loper gaat op zoek naar een zwart veld om de pion te veroveren. De pion komt eindelijk op een wit veld. En niet 6.Tg8? om de zwarte koning weg te lokken wegens Lf2 10.h5 Lh4 11.Kc6 Lg5, ‘over and out’. De koning nadert nog een stapje: 9.Tb8? Lf6 10.Tf8 Lg5,enzovoort. Belet 10.Th2. Weer en stapje dichterbij. Maar weerom niet 10.Te2? Lb8 11.Tb2 Lf4 12.Tb4 Lg5, remise. Wit dreigt nu, na het wegspelen van de loper, met 13.Th3 zijn pion te dekken met winst, want 12.Tg2 Lc7 13.Tc2 is een omweg. De zwarte loper is moe gestreden, bijvoorbeeld 12…Le1 13.Th3 en de witte koning komt hulp bieden. Wit wint met moeite, maar ver- diend.