Studies
— 266 —
Tijdschrift KNSB, 1962
= 0160.22 h5f8
Wit tracht de diagonaal a1-h8 te
sluiten. En zwart wil geen loper of-
feren.
Zetten
| 1. | ||
| 2. | ||
| 3. | ||
| 4. | ||
| 5. | ||
| 6. | ||
| 7. | ||
| 8. | ||
| 9. | ||
| 10. | ||
| 11. |
Varianten
Deze zet interfereert nu Lh8, zodat de aanval op de e-pion mogelijk wordt. Na 5.Tc1(2)? Kxf5 komt ook de andere loper in het spel. Niet 7.Txe2? Ld1 en 8...Lxe2. 7…Lc4? 8.Kg4 Lg7 9.Kf3 Lh6 10.Txe2 met remise. Met de dreiging 9.Kg2. Een cruciaal moment voor zwart: hij mag de pion niet slaan. Want na:
a)
| 8… | ||
| 9. | ||
| 10. |
Lxe3, staat wit pat. En na:
b)
| 8… |
Lc5 16.Te6 Lg1 17.Kg2 Lb6
18.Kg3, enzovoort. Zwart komt
niet verder daar zijn koning
geen hulp kan bieden.
Dan maar:
Maar dan blokkeert wit de diago-
naal a1-h8 voor de loper met:
Een noodzakelijk offer.
Nu wel gedwongen.
Veld h4 is nu ontoegankelijk voor
de zwarte loper door zelfinterfe-
rentie.
En het is pat.
Slaat de loper niet, dan is het re-
mise met 12.Txe2.