Studies
— 268 —
0rigineel, 2014
+ 0320.03 c3a1
Een directe matstudie van twee
lopers tegen een toren. Wit start
met een aftrekschaak:
Zetten
| 1. | ||
| 2. | ||
| 3. | ||
| 4. | ||
| 5. | ||
| 6. | ||
| 7. | ||
| 8. | ||
| 9. |
1.Kc2+ Ka2 2.Ld5+ Ka3 3.Le7+
De zwarte toren zit nu opgesloten.
Verhindert zwart om verder met
Tc6+ schaak te geven.
De ‘tester’ van Ed van de Gevel
meende echter dat men: ‘ op zet 5.
niet direct met de Loper naar c4
hoeft, aangezien de zwarte h-pion
nog een eind te gaan heeft, bij-
voorbeeld 5.Lg8 h4 6.Lc4 en dan
verder als gepland.’
.
Inderdaad, maar dan is, na 6…h3,
7.Lg5 tijdverlies. (Zie zet 6.)
En na 5.Lf8? volgt 5…h4 6.Lc4 h3
7.Le7 h2 8.Ld5 h1D en er is geen
winst meer.
‘De tweede opmerking is helaas
minder onschuldig, meende de
tester van Ed: Na 6.Lxh4 zien we
niets beter voor zwart dan 6… c5.
maar dan wint 7.Lg5 Td1 8.Le3
nog steeds en dat vormt een lelij-
ke dual.’
Neen Ed, want zwart speelt hier
natuurlijk 6…Tc6. En nu na:
7.Le7+ Td6 8.Lg5 is dit weer een
onnodige omweg. (Zie zet 6.)
Want er dreigde mat.
En wit wint toch.
t
Een tweelingzusje is:
Kc3 Lc6 Lf6 /
Ka1 Ta6 a4 c7 g5 +
Td6 4.Kc3 g4 5.Lc4 g3 6.Lg5 Td1
7.Le3 Tb1 8.Lc5+ Tb4 9.Lxb4+ en
mat.