Studies
— 269 —
Schakend Nederland, 1968
+ 0320.24 c3a3
Zetten
| 1. | ||
| 2. | ||
| 3. | ||
| 4. | ||
| 5. | ||
| 6. | ||
| 7. | ||
| 8. | ||
| 9. | ||
| 10. |
Varianten
9.Lxd8, en wit wint. Maar ook:
b)
| 3. |
5.Lb5+ K~ 6.Lxd7) 5.Lxa6 Ka3
6.Lb5 a4 7.Lf6 Kb3 en 8.Lxd8.
Dus nevenoplosbaar.
Er dre!gt nu mat.
Daarom:
De d-pion is voorlopig gedekt.
Dreigt de Loper te slaan.
Opnieuw met matdreiging op c4.
De korste weg naar winst is nu dit
offeraanbod:
En niet: 9.Lc3? Td6 10.Lxa5 Txd7,
en er is geen winst.
En wit wint, daar nu de pion kan
promoveren.
Een ijverig stel witte Lopers!
In Schakend Nederland beaamde
Cor de Feijter: “In nr 1108 hand-
haaft wit voorlopig zijn d-pion door
de matdreiging. Op het moment
dat de pion verloren schijnt te zijn
brengt een magneetoffer, waar-
door de toren zijn greep op de d-
pion verliest, wit de overwinning.”
In mijn boek ‘64 studies op 64
velden’ dacht ik oorspronkelijk dat
de toren op a6 diende te staan,
maar het bleek achteraf niet zo.
Ook 1.Tb8 leek te winnen.
Maar nu blijkt dat er dan twee cor-
recte oplossingen zijn, zoals aan-
getoond op de hier nevenstaande
bladzijde: 1…Tb8 is nu de verlei-
ding.